Het gebouw

    Tekening 1720.

De eerste stenen kerk van Pingjum is omstreeks 1200 opgetrokken uit tufsteen. De onderste geleding van de toren dateert waarschijnlijk uit deze periode. Rond 1500 is de kerk – wellicht door oorlogsgeweld – ernstig beschadigd en is de rest van het gebouw vernieuwd met gele kloostermoppen. Ook enkele elementen in het huidige interieur, onder de trekbalken van het kerkschip, dateren nog uit deze periode.
Een tekening uit 1720 laat zien dat de kerk toen een spitse toren had.
In 1758/59 is de toren deels afgebroken en vernieuwd. Een kopergravure uit 1790 toont de toren met het nieuwe zadeldak.
Ook het kerkschip is in 1759 drastisch vernieuwd. Het gebouw werd kleiner gemaakt, de muren werden grotendeels opnieuw opgemetseld en er kwamen nieuwe rondboogvensters met glas in lood ramen. De leien op het dak werden vervangen door pannen.
Boven de ingang werd een fraaie gedenksteen aangebracht en ook in het gebouw gedenkt een bord de belangrijke vernieuwing.
In het gebouw komen nieuwe banken, lambizering en een preekstoel en wordt de met grafstenen bedekte vloer vervangen door planken. Twee van de grafstenen, uit de 15e en 16e eeuw zijn nu ingemetseld in de vloer van het koor. Onder de houten vloer liggen nog 16 grafstenen uit de periode 1493 – 1718. Van het houten interieur zijn mogelijk alleen een deel van het koorhek en de ‘herenbanken’ (nu aan de noordzijde) nog van vóór 1759. Het beeldhouwwerk gemaakt door Jan van Nijs uit Sneek (op de noordelijke herenbank ‘geloof’ , op de zuidelijke herenbank ‘liefde’ en het rococo wapenbord op de noordmuur) dateert uit 1764.
In de 19e eeuw zijn de oorspronkelijke glas in lood ramen vervangen door gietijzeren ramen met kleine ruiten. Het orgel is in 1877/78 gebouwd door Friedrich Leichel uit Düsseldorf. In 1899 vond nog een restauratie plaats van de toren.
De laatste grote restauratie was in de jaren 1962/65. Deze restauratie betrof deels het herstel van oorlogsschade. In de laatste dagen van WOII kwam Pingjum namelijk ernstig onder vuur te liggen.
De opstelling van het interieur werd drastisch gewijzigd om tegemoet te komen aan modernere ideeën over de inrichting van het liturgisch centrum. Het koor is toen geplaveid met estrikken. Ook werden alle banken  verplaatst en de lambrizering grotendeels verwijderd.
Sinds 1968 is het gebouw een rijksmonument.